De conquistadores brachten de aardappel naar Europa. In onze streken werd het gewas pas in het begin van 18e eeuw op kleine schaal geteeld en was de aardappel lange tijd minder populair. In deze tijd werd de aardappel voornamelijk gezien als varkensvoer of voedsel voor de allerarmsten. Pas in 1727 werd de aardappel in Nederland, voor het eerst in Friesland, als voedsel erkend. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 18e eeuw werd de aardappel in alle Europese landen verbouwd. Dankzij veredeling en betere teeltmethoden heeft de aardappel zich ontwikkeld tot een veelzijdig en gewaardeerd voedingsproduct.

In sommige landen, zoals de VS en de Britse landen, wordt de aardappel beschouwd als een aanvullend voedingsmiddel, geschikt voor een grote variëteit aan heerlijke gerechten (gebakken, gekookt, gepureerd, etc.). In andere landen, zoals in Centraal en Oost-Europa, vervangt de aardappel geheel of gedeeltelijk het zetmeelrijke voedsel dat normaliter op de dagelijkse menukaart staat.  De knol bevat gemiddeld 66% zetmeel (voorts o.a. 4% suiker en 9% eiwit), dat het voornaamste component van de aanwezige calorieën levert. De aardappel is een voorname bron van nuttige en gezonde elementen als koper en ijzer en is een uitstekende vervanger voor brood, daar ze aanzienlijk armer aan calorieën is. Bovendien is het lage zoutgehalte gunstig voor mensen met een hoge bloeddruk en is de aardappel rijk aan vitamine C. Naast menselijk voedingsmiddel, wordt de aardappel ook voor andere doeleinden gebruikt, onder meer voor de productie van zetmeel en alcohol.